Athesten zijn gemiddeld intelligenter dan hun gelovige medemens, stellen onderzoekers in een nieuwe studie. Er is echter wel een belangrijke kanttekening.

Het is niet de eerste keer dat wetenschappers proberen aan te tonen dat er een verband is tussen IQ en religie. Maar onderzoekers Richard Daws en Adam Hampshire van het Imperial College London weten nu ook een verklaring te geven voor het verband. Ze bestudeerden meer dan 63.000 online deelnemers, die moesten aangeven of ze athest, agnost of religieus zijn. Daarna moesten ze een cognitieve test maken van dertig minuten waarin logisch redeneren, geheugen, concentratie en planning werden getest.

Zelfs als leeftijd en opleidingsniveau in beschouwing werden genomen, presteerden de athesten beter dan de religieuze respondenten. De agnosten zaten er tussenin. Weer is aangetoond dat religie negatief correleert met intelligentie, aldus Daws en Hampshire. Maar wat opvalt: bij vragen die het geheugen testten was het verschil minimaal. Vooral bij vraagstukken waarbij het vermogen om logisch te redeneren op de proef werd gesteld, bleek het verschil tussen gelovigen en athesten groot.

De onderzoekers denken dus dat religieuze mensen niet per se minder intelligent zijn, maar dat ze slechter scoren op IQ-tests, omdat ze bij taken waarbij intutie en logica in conflict komen de mist in gaan. Deze bevindingen leveren het bewijs voor de hypothese dat het religie-effect te maken heeft met het conflict tussen logisch redeneren en intutie en niet met algemene intelligentie, concluderen de onderzoekers in Frontiers in Psychology.