Hoe mooier een vlinder, hoe sneller hij op Europese beschermingslijsten belandt en hoe meer onderzoeksbudget hij krijgt. Minder opvallende, bruine soorten trekken aan het kortste eind, zelfs als ze ernstig worden bedreigd. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek van Europese wetenschappers, gepubliceerd in Current Biology.
Voor het onderzoek beoordeelden deelnemers in een drie jaar durende online enquête meer dan 4.400 foto's van 492 Europese vlindersoorten. Uit de beoordelingen kwam een duidelijke voorkeur naar voren: felle kleuren zoals blauw en geel, sierlijke staartjes en rustige contrasten scoren hoog. Bruine en compacte vlinders, zoals dikkopjes en zandoogjes, eindigen stelselmatig onderaan.
Vorm- en kleurkenmerken verklaarden bijna twee derde van de verschillen in de schoonheidsscore. Dat we zo sterk vallen voor kleur en symmetrie, is volgens de onderzoekers geen toeval maar een bekend verschijnsel uit de psychologie. Beelden die onze hersenen makkelijk en snel kunnen verwerken, ervaren we automatisch als prettiger en mooier. Omdat deze vleugelpatronen sterk genetisch zijn vastgelegd, volgt de schoonheidsscore heel direct de stamboom van de vlinder: hele families worden in één klap als 'aantrekkelijk' of 'saai' bestempeld.
Dat hobbyisten liever een kleurrijke pagina of aurelia fotograferen is geen verrassing. Schokkender is dat deze voorkeur direct doorsijpelt in het Europese natuurbeleid. Mooiere soorten zijn sterk oververtegenwoordigd in het Verdrag van Bern (1979), de Europese Habitatrichtlijn (1992) en de bijbehorende LIFE-subsidies. Beslissingen van decennia geleden bepalen zo nog altijd welke vlinders vandaag de dag financieel worden gesteund.
Bij de officiële Rode Lijsten van de IUCN geldt juist het omgekeerde: de echt bedreigde soorten zijn gemiddeld minder aantrekkelijk dan de rest. Veel van hen zijn donkere bergvlinders die lijden onder klimaatverandering, of kleine soorten met een geïsoleerd leefgebied.
Bovendien waarschuwen de onderzoekers voor de rol van burgerwetenschap. Ongeveer 80 procent van de gegevens in grote biodiversiteitsdatabanken komt van vrijwilligers. Omdat onopvallende vlinders minder vaak worden gefotografeerd, raken risico-inschattingen vervormd.
De onderzoekers pleiten daarom voor een dringende omgooi in de biodiversiteitspolitiek. Wie het geld enkel naar de fraaiste soorten stuurt, beschermt niet de natuur die het nodig heeft.

