Een Utrechtse kinderopvang die een medewerkster ten onrechte op staande voet ontsloeg, probeerde dat doodleuk opnieuw. Maar ook de tweede keer heeft de kantonrechter daar een streep door gezet. De kosten voor het ontslag lopen daardoor flink op.
De zaak draait om een 34-jarige vrouw, die in de herfst van 2021 ging werken voor een kinderopvangorganisatie. Wegens de uitval van de eigenaren van het bedrijf vervulde de medewerkster tussen 2022 en eind 2024 ook organisatorische taken.
In maart 2025 ontsloeg de kinderopvangorganisatie de vrouw op staande voet, omdat zij zou hebben gefraudeerd. Volgens haar werkgever zou zij meer uren hebben gedeclareerd dan zij in werkelijkheid had gewerkt. Ook zou zij ten onrechte niet hebben betaald voor de opvang van haar eigen dochter.
Afgelopen juli zette de rechtbank Midden-Nederland echter een dikke streep door het ontslag op staande voet, blijkt uit een vrijdag openbaar geworden uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Utrechtse kantonrechter oordeelde in de eerste plaats dat de vrouw niet tijdig was ontslagen. Er had te veel tijd gezeten tussen het vermoeden van de fraude en het ontslag.
En minstens even belangrijk: de werkgever had niet weten te bewijzen dat de vrouw meer uren betaald had gekregen dan zij had gewerkt. Ook kwam niet vast te staan dat zij niet zou hebben betaald voor de opvang van haar dochter, terwijl zij dat wel had moeten doen.
Omdat de arbeidsrelatie door het conflict verstoord was geraakt, kon de vrouw volgens de kantonrechter toch niet meer terugkeren bij de kinderopvang. Wegens het ontbinden van de arbeidsovereenkomst moest het bedrijf de vrouw achterstallig loon en een transitievergoeding betalen.
De werkgever was dat echter niet van plan. In plaats van betaling van de ontslagvergoedingen of het aanspannen van een hoger beroep, koos het bedrijf er simpelweg voor om de vrouw zes weken na de verloren rechtszaak doodleuk opnieuw op staande voet te ontslaan.
In een elf pagina's tellende ontslagbrief werden daarvoor in essentie dezelfde ontslaggronden aangevoerd. Wel was de zaak volgens de werkgever 'nog erger dan gedacht', onder meer omdat de werkneemster haar stiefdochter tijdens werktijden naar zwemles zou hebben gebracht.
De werkneemster zag zich door het tweede ontslag opnieuw gedwongen om naar de rechter te stappen. Ze claimde dit keer diverse schadevergoedingen van in totaal ruim 27.000 euro. Volgens haar was sprake van onder meer pestgedrag van de werkgever, en was zij daardoor op extra kosten gejaagd en had ze naar eigen zeggen psychische schade opgelopen.
Uit een vrijdag openbaar geworden uitspraak blijkt dat de rechtbank Midden-Nederland het grotendeels met de vrouw eens is. De Utrechtse kantonrechter oordeelt dat de vrouw opnieuw ten onrechte is ontslagen, en dat daarmee sprake is van 'misbruik van procesrecht'. De werkgever had volgens de rechter moeten weten dat een ontslag op basis van vrijwel dezelfde ontslaggronden geen stand zou houden.
Hoewel de kantonrechter de nieuwe schadevergoedingen van de vrouw te gortig vindt, lopen de kosten voor de werkgever nu toch flink op. Afgezien van de extra eigen juridische kosten moet het bedrijf de vrouw een schadevergoeding van 1000 euro betalen, en de gemaakte proces- en andere juridische kosten van 7.281 euro vergoeden.
Ook moet de kinderopvang een rectificatie versturen aan iedereen die het vorig jaar liet weten dat de werkneemster de organisatie zou hebben benadeeld. Omdat de werkgever dat ondanks de eerdere veroordeling niet deed, legt de kantonrechter het bedrijf nu een dwangsom op, die kan oplopen tot 10.000 euro.
